Infinitiefcauser
Tegenwoordig deelwoordcausant
Voltooid deelwoordcausé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jecause
tucauses
il, elle, oncause
nouscausons
vouscausez
ils, ellescausent

Onvoltooid verleden tijd

jecausais
tucausais
il, elle, oncausait
nouscausions
vouscausiez
ils, ellescausaient

Verleden tijd

jecausai
tucausas
il, elle, oncausa
nouscausâmes
vouscausâtes
ils, ellescausèrent

Toekomende tijd

jecauserai
tucauseras
il, elle, oncausera
nouscauserons
vouscauserez
ils, ellescauseront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jecause
que tucauses
qu'ilcause
que nouscausions
que vouscausiez
qu'ilscausent

Onvoltooid verleden tijd

que jecausasse
que tucausasses
qu'ilcausât
que nouscausassions
que vouscausassiez
qu'ilscausassent

Voorwaardelijke wijs

jecauserais
tucauserais
il, elle, oncauserait
nouscauserions
vouscauseriez
ils, ellescauseraient

Gebiedende wijs

(tu)cause
(nous)causons
(vous)causez

Vertalingen

Catalaans
causar
Duits
anrichten; verursachen
Engels
to cause
Spaans
causar
Italiaans
causare
Nederlands
aandoen; aanrichten; veroorzaken
Portugees
causar