Infinitiefblesser
Tegenwoordig deelwoordblessant
Voltooid deelwoordblessé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeblesse
tublesses
il, elle, onblesse
nousblessons
vousblessez
ils, ellesblessent

Onvoltooid verleden tijd

jeblessais
tublessais
il, elle, onblessait
nousblessions
vousblessiez
ils, ellesblessaient

Verleden tijd

jeblessai
tublessas
il, elle, onblessa
nousblessâmes
vousblessâtes
ils, ellesblessèrent

Toekomende tijd

jeblesserai
tublesseras
il, elle, onblessera
nousblesserons
vousblesserez
ils, ellesblesseront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeblesse
que tublesses
qu'ilblesse
que nousblessions
que vousblessiez
qu'ilsblessent

Onvoltooid verleden tijd

que jeblessasse
que tublessasses
qu'ilblessât
que nousblessassions
que vousblessassiez
qu'ilsblessassent

Voorwaardelijke wijs

jeblesserais
tublesserais
il, elle, onblesserait
nousblesserions
vousblesseriez
ils, ellesblesseraient

Gebiedende wijs

(tu)blesse
(nous)blessons
(vous)blessez

Vertalingen

Catalaans
ferir
Engels
to hurt; to wound
Spaans
herir
Italiaans
ferire
Nederlands
kwetsen; verwonden
Portugees
ferir