Infinitiefacquitter
Tegenwoordig deelwoordacquittant
Voltooid deelwoordacquitté

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

j'acquitte
tuacquittes
il, elle, onacquitte
nousacquittons
vousacquittez
ils, ellesacquittent

Onvoltooid verleden tijd

j'acquittais
tuacquittais
il, elle, onacquittait
nousacquittions
vousacquittiez
ils, ellesacquittaient

Verleden tijd

j'acquittai
tuacquittas
il, elle, onacquitta
nousacquittâmes
vousacquittâtes
ils, ellesacquittèrent

Toekomende tijd

j'acquitterai
tuacquitteras
il, elle, onacquittera
nousacquitterons
vousacquitterez
ils, ellesacquitteront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que j'acquitte
que tuacquittes
qu'ilacquitte
que nousacquittions
que vousacquittiez
qu'ilsacquittent

Onvoltooid verleden tijd

que j'acquittasse
que tuacquittasses
qu'ilacquittât
que nousacquittassions
que vousacquittassiez
qu'ilsacquittassent

Voorwaardelijke wijs

j'acquitterais
tuacquitterais
il, elle, onacquitterait
nousacquitterions
vousacquitteriez
ils, ellesacquitteraient

Gebiedende wijs

(tu)acquitte
(nous)acquittons
(vous)acquittez

Vertalingen

Catalaans
absoldre; pagar
Engels
to acquit; to pay
Spaans
absolver; pagar
Italiaans
assolvere; pagare
Nederlands
aflossen; vereffenen; vrijspreken
Portugees
absolver; pagar